De val van Oostenende

Op 4 juli 1601 begon het beleg van Oostende. Dankzij de verdediging van Charles van der Noot en generaal Francis Vere hield Oostende drie jaar lang stand, mede doordat de stad vanuit zee kon worden bevoorraad. Tijdens het beleg probeerde het Staatse leger de troepen onder koninklijk gezag af te leiden, door andere steden aan te vallen. Zo werd in 1601 Rijnberk belegerd en het jaar erop Grave. Oostende werd in 1604, zij het met verlies van het noordelijker gelegen Sluis aan de Staatsen veroverd onder de Spaanse generaal Ambrogio Spinola, die als legeraanvoerder in dienst van landvoogd Albrecht was gekomen. De stad moest capituleren op 22 september.

De krachtmeting waarin beide partijen bovenmatig investeerden toonde het belang dat aan de havenplaatsen, ook die van de kust, werd gehecht. De prijs aan mensenlevens was in verhouding. Tijdens de slijtageslag van dit driejarig beleg verloren de Spaanse belegeraars ongeveer 76.961 man; aan Staatse kant vielen 77.684 slachtoffers. Bovendien waren er vele tienduizenden zwaargewonden en verminkten. De stad werd volledig verwoest.

 

Nederland Monumentenland en haar onderdelen worden ondersteund door:

© Nederland Monumentenland 2019