Kloostercomplex Koningsbosch in Echt Susteren

Koningsbosch behoort tot de gemeente Echt Susteren en ligt zo’n 14 km van de kern. De plaatsnaam herinnert aan het feit dat vanaf de vroege middeleeuwen tot aan 1794 koningen rechten hadden in dit deel van de gemeente. Het dorp telt zo’n 1700 inwoners en het klooster heeft altijd een prominente plek gehad in deze gemeenschap. Het is uiteraard het grootste gebouw, veel inwoners hebben er gewerkt of kennen mensen die er gewoond hebben. Met andere woorden: het klooster zet Koningsbosch op de kaart. De verwachtingen zijn dan ook dat de herbestemming het dorp meer leven gaat brengen en wellicht ook werkgelegenheid biedt.

Monumentaal
In 1879 werd een Duitse school gestart (de Höhere Töchterschule en Duitse Huishoudschool) met internen, voor leerlingen van 8 tot 18 jaar. In 1883 waren er 40 leerlingen. Naderhand werd gestart met een Normaalschool voor de opleiding tot onderwijzeres. In april 1896 werd deze school erkend als ‘bijzondere kweekschool’. Vanaf 1930 was er een ULO, nadien MULO die in de jaren 70 MAVO werd. Ook kwam er een Huishoudschool bij. In 1961 waren er nog 191 internen, in 1981 waren dat er nog maar 11. Eind juni 1982 sloot het internaat haar deuren. In 1995 vertrokken de laatste zusters naar Sittard.

Geschiedenis
De eerste steen van het complex is gelegd in 1873. De architect, Johannes Kayser was een leerling van de fameuze J. Cuypers. De grond werd beschikbaar gesteld door een Belgische wijnhandelaar. De stichteres van het klooster was een Duitse religieuze. In de bloeitijd van het kloosterleven waren er 40 postulanten en novicen en 70 zusters. Oorspronkelijk waren er meer Duitse, dan Nederlandse zusters, zodat tot 1916 de Duitse taal de “kloostertaal” was. Het klooster had een eigen boerderij – tuin – bakkerij – wasserij en ziekenzaal. Veel Koningsbosschenaren hebben in het klooster hun brood verdiend. Ook heeft het klooster dienst gedaan als schippersinternaat.

Een sobere Neo-Renaissance stijl is toegepast voor het vermoedelijk in één fase omstreeks 1896 opgetrokken noordpand (Mariavleugel). Omstreeks 1896-1900 werden de huidige kapel (westelijk pand) en een nieuw entreegebouw (zuidpand) gebouwd, die zich kenmerken door een rijke Neo-Gotische vormentaal. De laatste grote bouwfase rond 1912 betrof de uitbreiding van het oostpand. Het interieur van het klooster heeft het karakter van omstreeks 1912 grotendeels behouden. De hoofdopzet wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van een kruisgang langs de binnenhof. Aan deze gang bevinden zich enkele trappartijen, aan de buitenzijde vertrekken waaronder voormalige leslokalen.
De kapel ligt in dezelfde as als de entree van het hoofdgebouw en is voorzien van een eigen, in dezelfde stijl uitgevoerde kruisgang afgesloten met graatgewelven. Het schip van de kapel heeft een afdekking met kruisgewelven op ronde zuilen met bladkapitelen en schei- en gordelbogen uitgevoerd in (geglazuurde) vormsteen. De oostelijke opstand is driedelig met een open galerij en een blind triforium waarachter een zusterkapel. In dit rijke en in hoge mate gaaf bewaarde interieur uit de periode 1874-1912 zijn voorts onder meer van belang de paneeldeuren met bijbehorende kozijnen die nog bijna overal aanwezig zijn, diverse trappartijen die voorkomen in alle vleugels met respectievelijk houten (vroege bouwfase) en smeedijzeren leuningen, en voorzien van kenmerkende bogen op zuilen met bladkapitelen.

De toepassing van geglazuurde en deels geprofileerde baksteen in deur- en raamomlijstingen in de kapel, de kruisgang en het entreegebouw uit 1896-1900, keramische en natuurstenen vloertegels in de kruisgangen en in de dienstruimten in de kelder, de interieurafwerking van de toiletten, pianokamertjes (noordpand), de leslokalen met grote deuropeningen in de deelmuren (oostpand) en de houten chambrettes die nog aanwezig zijn in de slaapzalen in het oost- en noordpand.

Nederland Monumentenland en haar onderdelen worden ondersteund door:

© Nederland Monumentenland 2019