Onderduiken bij de leeuwen

Artis in Amsterdam

Artis Amsterdam, de oudste dierentuin van Nederland met 27-tal monumentale gebouwen uit de 19e eeuw, vervulde tijdens de Tweede Wereldoorlog een bijzondere functie; het bood een schuilplaats voor onderduikers. 

Op vrijdagochtend 10 mei 1940 trekken Duitse troepen de Nederlandse grens over. De Tweede Wereldoorlog voor Nederland was een feit. In vele dierentuinen zoals Ouwehands dierenpark bij Rhenen( vlakbij de Grebbeberg), dierentuinen in Rotterdam en Den Haag sneuvelden dieren door oorlogsgeweld en werden de roofdieren afgemaakt. Artis nam voorzorgsmaatregelen, maar in Amsterdam bleef het rustig. De gedrevenheid en het charisma van directeur A.L.J. Sunier zorgden er onder andere voor dat de gevolgen van de oorlog voor Artis beperkt zijn gebleven. Sunier was van Zwitserse afkomst en sprak uitstekend Duits. Als geen ander kon hij onderhandelen met de Duitse autoriteiten om op te komen voor de belangen van de dierentuin en het personeel. Een derde belangrijke oorzaak voor de relatief gunstige ontwikkelingen in Artis was dat de Duitsers een voorliefde voor dierentuinen hadden. Hitler zelf liet zich graag portretteren als dierenvriend en in de nationaalsocialistische ideologie golden de natuur en de dierenwereld als voorbeeld voor de mens.

Verboden voor Joden
Natuurlijk kreeg Artis ook te maken met de gevolgen van de bezetting. Artis had door de ligging in de oude Amsterdamse Jodenbuurt van oudsher veel joodse leden en medewerkers. In oktober 1940 moesten alle Artis-medewerkers de zogeheten ariërverklaring ondertekenen. Zoals vrijwel alle Nederlandse ambtenaren deden ze dit zonder er erg bij stil te staan. De joodse ambtenaren werden daarop ontslagen. De 335 joodse leden van de dierentuin werden in september 1941 gedwongen hun lidmaatschap op te zeggen. Als gebaar betaalde Artis hen de helft van de voor dat jaar betaalde contributie terug. Daarnaast bood Artis ook een schuilplaats aan joodse onderduikers.

Veilige schuilplaats
Dankzij de goede reputatie bij de nationaalsocialisten kon Artis een veilige schuilplaats bieden aan joodse onderduikers. De dierentuin met zijn vele hokken en nachtverblijven leende zich daar natuurlijk uitstekend voor. Oppasser Van Schalkwijk vertelde hoe hij bij een razzia joodse jongens door een achterdeur de tuin binnenliet. “We gingen daarna meteen naar de apenrots, waar ik een plank over het water legde. Zij zaten dan in de rots bij de apen. Door het water om de rots hadden de Duitsers natuurlijk geen erg dat er joden zaten.” Enkele joodse onderduikers hebben langere tijd in Artis ondergedoken gezeten. De bekendste was Duif van den Brink, die overdag gewoon in de tuin rondliep en sliep in het wolvenhuis.

Gorilla Japie: de onbewuste verlinker
Ook verzetsmensen en onderduikers voor de arbeidsinzet vonden schuilplaatsen in Artis. De verzetsman Henk Blonk dook er in 1942 onder omdat hij door de Duitse politie werd gezocht. “Ik sliep in het hok van de chimpansee. Het barstte er van de kakkerlakken. Ze liepen over me heen en hebben zelfs een stuk van mijn wenkbrauw opgevreten. In de kooi ernaast zat de gorilla Japie. Japie zat me de hele tijd door een gaatje in de wand te beloeren. Je dacht redelijk veilig te zitten maar die aap verlinkte eigenlijk alles.” De grootste groep vaste onderduikers waren de Artismedewerkers zelf. Leeuwenoppasser Cor Wiers vertelt: “Natuurlijk kreeg ik, net als de anderen, oproepen om in Duitsland te werken, maar het lukte Sunier steeds opnieuw om voor een Ausweis te zorgen. Er waren ik weet niet hoeveel oppassers ‘onmisbaar’. Maar in de loop van 1943 moesten we toch onderduiken. Ik zat met een man of twintig boven de roofdieren. Daar hadden we van balen hooi een heel huis gemaakt waar we eindeloos hebben gekaart.” Hoeveel mensen er korte of langere tijd een schuilplaats hebben gehad in Artis is niet bekend. Oud-medewerkers hebben geschat dat het er 150 à 300 kunnen zijn geweest.

Nederland Monumentenland en haar onderdelen worden ondersteund door:

© Nederland Monumentenland 2019